Afdichting/bekleding
Het afdichten of bekleden van een steiger is een bronoplossing, die bovendien andere voordelen biedt, onder ander ten aanzien van het werkklimaat. De bekleding mag het leuningwerk niet vervangen. Zie voor een uitgebreidere beschrijving paragraaf 4.5 Afdichten en bekleden.
Dichte hekwerken
Dichte hekwerken of schotten worden ook gezien als bronoplossing. Ze moeten veelal worden gecombineerd met een bovenleuning, tenzij de sterkte van de constructie voldoet aan de sterkte- en doorbuigingseisen van leuningwerk.
Wat betreft de uitvoering van hekwerken geldt:
-
hoogte minstens 1000 mm, maar bij voorkeur 1200 mm
-
hekwerk aansluitend op de werkvloer
-
goed vastgezet
-
een eventuele maasgrootte van 100 cm², waarbij de grootste breedte niet meer dan 50 mm mag bedragen.
Hekwerken toepassen leidt tot meer winddruk en dus tot grotere krachten. Dat kan de sterkte en stabiliteit van de steiger in gevaar brengen, met andere woorden: dit aspect moet in de berekening worden meegenomen.
Voor netten geldt voor de uitvoering als valvoorziening dat de maasgrootte niet groter mag zijn dan 100 cm², waarbij de grootste breedte niet meer dan 50 mm mag bedragen.
Vangvoorzieningen op werkplekniveau
Een vangvoorziening is slechts een bronoplossing indien hij ter hoogte van het werkniveau wordt aangebracht. Het kan hier gaan om een constructie met netten of met beplating. Voor deze vangvoorziening geldt:
-
de vangvoorziening moet een minstens 1,00 m breed zijn, aangebracht onder een hoek van maximaal 60º met de staanders; bij 60° steekt hij dan circa 850 mm uit en 700 mm bij 45°
-
de vangvoorziening sluit aan op een dichte vloer
-
bij netten mag de maaswijdte niet groter zijn dan 100 cm² en de breedte van de maas niet groter dan 50 mm
-
dubbel leuningwerk langs de werkvloer blijft verplicht.
Figuur 4.6.1¹ Vangvoorziening aan werkvloer
Figuur 4.6.1² Vangvoorziening aan lager gelegen werkvloer
Figuur 4.6.13 Vangvoorziening tot aan de gevel
Vangvoorzieningen op een lager niveau dan het werkniveau
De vangvoorziening kan ook op een lager niveau worden aangebracht. Maar het is dan geen bronoplossing meer. Hij kan aansluiten op een lager gelegen werkvloer (figuur 4.6.12) of doorlopen tot aan de gevel (figuur 4.6.13). De toepassingsvoorwaarden zijn:
-
De horizontale uitsteekbreedte X hangt af van de verticale afstand tussen de werkvloer en de vangvoorziening Y. De desbetreffende maten zijn weergegeven in figuur 4.6.14.
-
Ook hier mag de hoek met de staanders niet meer zijn dan 60°.
-
Een vangvoorziening mag zich maximaal 3 verdiepingen, maar maximaal 10,00 m onder het werkniveau bevinden. Want indien voorwerpen meer dan 10 m vallen moet je buitenproportionele eisen gaan stellen aan de sterkte van de vangvoorziening.
-
Een vangvoorziening beneden bevindt zich in geval van voetgangers op minstens 2,5 m hoogte en in geval van verkeer op minstens 4,5 m hoogte boven maaiveld.
-
De uitvoering van de vangvoorziening moet zijn afgestemd op de gevaren, in het bijzonder op de aard, zwaarte en omvang van de mogelijk vallende voorwerpen. Hij is goed bevestigd en sterk genoeg: de vangvoorziening moet minimaal bestand zijn tegen een gewicht van 30 kg dat 6 m valt (het gewicht in een bolvorm met een diameter tussen 200 en 400 mm).
-
Bij netten mag de maasgrootte niet groter zijn dan 100 cm², waarbij de grootste breedte niet meer dan 50 mm mag bedragen.
-
De vangvoorziening sluit aan op een dichte vloer of loopt door naar de gevel.
|
X |
Y |
|
1,50 m |
3,00 m |
|
2,00 m |
5,00 m |
|
2,50 m |
7,00 m |
|
3,00 m |
9,00 m |
|
3,00 m |
10,00 m |
|
Figuur 4.6.14 Relatie tussen uitsteekbreedte X en valhoogte Y |